Sitemap

Disclaimer

Zwangerschap

Reden voor zorg?

Een aanstaande moeder wil altijd het beste doen voor haar ongeboren kind. Daarom rookt en drinkt zij niet, en geniet goede voeding en voldoende rust. Een zwangere kapster kan zich ongerust maken over het werken met kappersproducten. Hierover dient zij goed geïnformeerd te worden. Samen met de werkgever moet naar een oplossing worden gezocht die tegemoet komt aan haar bezorgdheid. De centrale boodschap kan hierbij zijn:

“Het gebruik van haarcosmetica is ook tijdens de zwangerschap veilig, mits de blootstelling via de huid en de luchtwegen wordt voorkomen, de gebruiksaanwijzingen strikt worden gevolgd, en voldoende aandacht wordt besteed aan correct handschoengebruik (huidcontact) en voldoende ventilatie (inademing)”.

Haarcosmetica en zwangerschap

Wanneer een kapster zwanger is of een kinderwens heeft, ontstaan er nogal eens vragen over de veiligheid van haarcosmetica voor het ongeboren kind. Deze vragen worden van tijd tot tijd aangewakkerd door berichten in de media. Zo is in 2002 een Zweedse studie in het nieuws geweest, waarin een niet-verklaarde associatie werd gevonden tussen het “kappersvak” en een verhoogde kans op miskramen en aangeboren afwijkingen. Echter, de onderzoekers konden geen duidelijke relatie vinden tussen de blootstelling aan kappersproducten tijdens het werk en het krijgen van een kleiner kind of een kind met een aangeboren afwijking. Bekend is dat ook andere factoren van invloed kunnen zijn op het krijgen van een kind met een lager geboorte gewicht of een afwijking:

  • Lang staan
  • Stress
  • Het gebruik van alcohol tijdens de zwangerschap

Helaas was met dergelijke verstorende factoren geen rekening gehouden in het genoemde onderzoek.

Reproductietoxische stoffen in de kapsalon? De ‘alcohol-discussie’

Reproductietoxische stoffen zijn stoffen die schadelijk zijn voor de voortplanting. Dit kan zich uiten in:

  • Een negatief effect op de vruchtbaarheid
  • Negatieve effecten op de ontwikkeling van de baby (groeistoornissen, aangeboren afwijkingen)
  • Schadelijke effecten via de borstvoeding.

Het ministerie van Sociale Zaken publiceert twee maal per jaar een officiële “Niet-limitatieve lijst van voor de voortplanting giftige stoffen”. Deze lijst wordt gepubliceerd in de Staatscourant en is hier te vinden.

Op deze lijst staat slechts één stof die regelmatig in haarcosmetica voorkomt: ethanol (alcohol). Ethanol zit vooral in:

  • Haarlakken;
  • Gels;
  • Kleurspoelingen;
  • Handalcohol.

Er is veel kritiek geweest op de vermelding van ethanol op de SZW-lijst. Ethanol is reprotoxisch, hetgeen is vastgesteld op basis van dierproeven en epidemiologisch onderzoek bij de mens (m.n. in verband met alcoholgebruik/-misbruik). Daarom staat ethanol op de lijst: de lijst betreft het ‘intrinsieke gevaar’ van de stof, en zegt niets over de hoogte van de blootstelling.
Juist over de relevantie van de blootsteling in de werkomgeving bestaat echter veel discussie. Blootstelling via inademing ter hoogte van de grenswaarde voor de werkpleklucht (1000 mg/m3), gedurende een hele dag, zou leiden tot een dosis die te vergelijken is met “een half pilsje”. Dit terwijl bij werkzaamheden in de kappersbranche veelal veel lagere concentraties ethanol zijn gemeten, van maximaal ± 60 mg/m3.
Begin 2005 heeft de gezondheidsraad geadviseerd om iedere blootstelling aan alcohol tijdens de zwangerschap te vermijden.

Regelgeving voor reproductietoxische stoffen in cosmetica

In Nederland zijn de eisen met betrekking tot de veiligheid van cosmetica vastgelegd in het Warenwetbesluit Cosmetische producten, dat is gebaseerd op de Europese Cosmeticarichtlijn. De richtlijn bevat onder meer een “lijst van verboden bestanddelen”. Het 7e amendement van de Cosmeticarichtlijn verbiedt het gebruik van stoffen die als reproductietoxisch zijn geclassificeerd in de (EU) klasse 1 en 2 (zie kader). Wanneer de stof als reproductietoxisch is geclassificeerd in klasse 3, moet in een risico-evaluatie worden aangetoond dat de betreffende toepassing geen risico inhoudt (bijvoorbeeld door het lage gehalte). Deze beoordeling wordt uitgevoerd door het wetenschappelijk comité voor cosmetica van de Europese Commissie, waarna toelating al dan niet volgt.

Klasse-indeling reproductietoxische stoffen (EU-richtlijn 67/548/EEG, bijlage VI)

Klasse 1

“Er is voldoende bewijs voor een oorzakelijk verband tussen blootstelling van de mens aan de stof en verminderde vruchtbaarheid”, of:
“Er is voldoende bewijs voor een oorzakelijk verband tussen blootstelling van de mens aan de stof en latere ontwikkelingsstoornissen bij het nageslacht”.

Klasse 2

“Er is voldoende bewijs voor een sterk vermoeden dat blootstelling van de mens aan de stof kan leiden tot verminderde vruchtbaarheid, op grond van:

  • Duidelijk bewijs in dierproeven voor verminderde vruchtbaarheid in afwezigheid van toxische effecten of bewijs voor verminderde vruchtbaarheid bij nagenoeg dezelfde dosisniveaus als waarop andere toxische effecten zich voordoen, die evenwel geen secundaire niet-specifieke gevolgen zijn van die andere toxische effecten;
  • Andere relevante informatie.”

of:

“Er is voldoende bewijs voor een sterk vermoeden dat blootstelling van de mens aan de stof kan leiden tot ontwikkelingsstoornissen, meestal op grond van:

  • Duidelijke resultaten in geschikte dierproeven waarbij effecten worden waargenomen zonder dat zich bij de moederdieren uitgesproken intoxicatieverschijnselen voordoen of bij nagenoeg dezelfde dosisniveaus als waarop andere toxische effecten zich voordoen, die evenwel geen secundaire niet-specifieke gevolgen zijn van die andere toxische effecten;
  • Andere relevante informatie.”
Klasse 3

“Stoffen die in verband met hun mogelijke voor de vruchtbaarheid van de mens schadelijke effecten reden geven tot bezorgdheid, meestal op grond van:

  • Resultaten in geschikte dierproeven die voldoende bewijs leveren voor een sterk vermoeden van verminderde vruchtbaarheid in afwezigheid van toxische effecten of van verminderde vruchtbaarheid bij nagenoeg dezelfde dosisniveaus als waarop andere toxische effecten zich voordoen, die evenwel geen secundaire niet-specifieke gevolgen zijn van die andere toxische effecten, maar waarbij de aanwijzingen onvoldoende zijn voor indeling van de stof in categorie 2.
  • Andere relevante informatie”

of:

“Stoffen die in verband met hun mogelijke voor de ontwikkeling schadelijke effecten reden geven tot bezorgdheid, meestal op grond van:

  • Resultaten in geschikte dierproeven die voldoende bewijs leveren voor een sterk vermoeden van ontwikkelingsstoornissen zonder dat zich bij de moederdieren uitgesproken intoxicatieverschijnselen voordoen of bij nagenoeg dezelfde dosisniveaus als waarop andere toxische effecten zich voordoen, die evenwel geen secundaire niet-specifieke gevolgen zijn van die andere toxische effecten, maar waarbij de aanwijzingen onvoldoende zijn voor indeling van de stof in categorie 2.
  • Andere relevante informatie”